God is ons een Toevlucht

“Vertrouwt op Hem te allen tijde, o gij volk; stort ulieder hart uit voor Zijn aangezicht; God is ons een Toevlucht.”
(Ps. 62:9)

David roept het volk op om te vertrouwen. Niet als een loze kreet, zonder dat duidelijk wordt waarin en waarom. Maar David wijst ons direct op de vaste en zekere grond. Het is: “Vertrouw op Hem.” Wie is Hem? Dat is “de Rotssteen van mijn sterkte” uit vers 8. Dat is de Heere. Dat is de zekere grond. Een vaste, onwankelbare Rotssteen. Dat hebben we nodig, te midden van alle onzekerheid. Hoe komt het dat we zo vaak ons vertrouwen zoeken buiten deze onwankelbare Rotssteen? Zou het niet zijn omdat we vaak zo klein en slecht van de Heere denken? En zo groot van onszelf en de mogelijkheden van de wereld? De oproep van David gaat ver. Het is niet: “Vertrouw ook op de Heere.” Of: “Vertrouw maar vaak op de Heere.” Maar het is: “Vertrouwt op Hem te allen tijde.” Misschien denken we: “Mooie woorden David. Vast gesproken met goede bedoelingen. Maar je bent een steenrijke koning. Je hebt genoeg macht. Genoeg geld. Je hebt makkelijk praten. Je moest eens weten hoe ik eraan toe ben.” Maar in wat voor situatie doet David de oproep om te allen tijde op de Heere te vertrouwen? De psalm laat zien: Terwijl men kwaad tegen hem aansticht. Terwijl vijanden vergaderingen houden om hem van zijn hoogheid te verstoten. Terwijl vijanden leugen en bedrog gebruiken. David doet de oproep om te allen tijde op de Heere te vertrouwen in een tijd waarin zijn bloedeigen zoon hem van het leven en de troon wil beroven. En ook van binnen gaat het tekeer bij David. Aanvechtingen. Hij zegt immers niet voor niets: “Doch gij, o mijn ziel, zwijg Gode.” Storm van binnen en van buiten. En toch deze oproep: “Vertrouwt op Hem te allen tijde, o gij volk.” Wat betekent dat concreet? David wijst ons daarin de weg: “Stort ulieder hart uit voor Zijn aangezicht.” Door het uitstorten van ons hart voor Zijn aangezicht wil de Heere omgang met ons hebben. Zo is dat tussen mensen onderling ook. We vertellen alleen aan de mensen die we vertrouwen wat ons bezighoudt. Wat een voorrecht als we geliefden mogen hebben bij wie we ons hart kunnen uitstorten. Maar geliefden kunnen luisteren, maar hebben slechts beperkte mogelijkheden. Voor God is geen ding onmogelijk. David zingt namelijk “dat de sterkte Godes is.” En zelfs in vrienden kunnen we beschaamd worden, dat had David zelf ook meegemaakt met Achitofel. Maar hoe is het met de Heere? Vers 13: “De goedertierenheid, o Heere is Uwe.” Als David hier over het gebed spreekt, heeft hij het over het uitstorten van het hart. Wat is dat troostrijk als we niet weten hoe te bidden. Waar haal ik de woorden vandaan? Uitstorten! Dat betekent niet dat we volzinnen aan elkaar moeten rijgen. Maar uitstorten, dat kan ook stotteren en stamelen zijn. Ja, dat kan zelfs als er geen woorden zijn. David zingt niet: “Stort woorden uit voor Zijn aangezicht.” Maar: “Stort uw hart uit.” De Heere wil geen woordenwaterval, Hij wil ons hart. Woorden kunnen leeg en hol zijn. De farizeeër in de tempel stortte prachtige woorden en zinnen uit. Maar de tollenaar die stortte zijn hart uit. En riep alleen: “O God! Wees mij zondaar genadig!” En hij ging gerechtvaardigd naar zijn huis. Wat een onvoorstelbaar voorrecht dat we de inhoud van ons boze hart mogen uitstorten voor het heilig aangezicht van de Heere. Dat de Heere zo omgang met ons wil. Dat kan alleen om Christus wil. Waar dan heen met ons onrustige hart? Waar dan heen met al onze zonden? En met al onze zorgen? Tot U alleen! Gij zult ons niet verstoten. “God is ons een Toevlucht.”