En wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd
Joh 1:14: En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd)
Johannes 1 is een bijzonder hoofdstuk. Het zijn van die machtige woorden, die als het ware voortschrijden: ‘In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. Dit was in den beginne bij God.’ Het heeft iets majesteitelijks. Je vangt in deze woorden een glimp van de eeuwigheid op. Dan kan alleen maar diepe eerbied je hart vervullen. En dan lees ik in 14 een machtig wonder: ‘En het Woord is vlees geworden.’
De eeuwigheid kwam in de tijd. Christus, het eeuwige Woord, is een mens van vlees en bloed geworden.
Jezus wordt hier ‘het Woord’ genoemd. Wij gebruiken woorden om iets aan anderen mee te delen, bekend te maken. En nu is Christus het Woord van de Vader. In Christus maakt de Vader Zichzelf bekend. In Christus spreekt de Vader Zichzelf uit. Alles wat de Vader ons te zeggen heeft, heeft Hij uitgesproken in het geven van zijn Zoon. Hebr. 1:1: ‘God, voortijds veelmaal en op velerlei wijze, tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door de Zoon.’ In Christus is ons volmaakt geopenbaard wie, en hoe de Vader is: ‘Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.’ In Christus is de liefde van de Vader vlees geworden.
‘En Het Woord is vlees geworden.’ Hij heeft alles gedeeld van ons mensenbestaan. Om ons te kunnen verlossen, helpen en troosten. Daarom is Hij mens geworden. Is Hij ons op komen zoeken in onze zorgen, angsten en noden, Hebr. 2:16: ‘Waarom Hij in alles de broederen moest gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en een getrouw Hogepriester zou zijn (…) Want in hetgeen Hij Zelf, verzocht zijnde, geleden heeft, kan Hij degenen, die verzocht worden, te hulp komen.’
Maar het gaat nog dieper. Hij is mens geworden om te kunnen lijden en sterven. Om de geduchte toorn van God over onze zonden te dragen en onze schuld te verzoenen. Dat was de diepste reden van Zijn komst naar deze wereld. In Hem is het woord van Jesaja 53 vlees geworden: ‘Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld …’
Vlees geworden. Voor mensen die van zichzelf niet anders dan vlees zijn. Vleselijk. Met dat ene woord tekent Paulus onze verdorven en verloren staat. Als dat in ons leven een werkelijkheid wordt, worden woorden uit het Johannesevangelie kostbaar. Dat het Woord vlees is geworden. Hij is geworden wie ik ben. Om mij te maken zoals Hij is.
‘En heeft onder ons gewoond.’ Letterlijk staat er: getabernakeld. Zoals in het OT de tabernakel de plaats was waar God en mensen elkaar konden ontmoeten, zo is nu Christus de plaats, de Persoon, door wie wij omgang kunnen hebben met God. Hij heeft het gezegd: ‘Niemand komt tot de Vader, dan door Mij.’ Daarvoor is Hij naar deze aarde gekomen. Om God en mensen weer bij elkaar te brengen:
Daar ruist langs de wolken een lieflijke Naam,
die hemel en aarde verenigt te saam.
Iedereen was bij Hem welkom. Hij kwam onder ons. En al is Hij nu opgevaren naar de hemel, maar nog steeds is iedereen bij Hem welkom. Want zoals Hij toen was, is Hij nu nog steeds. De deur staat open voor iedereen. Ik las pas bij Thomas Hooker: de Heere houdt open huis. Opdat wij met al onze zorgen en zonden tot Hem zouden komen. Om hulp, om raad, om verlossing. Om vertroosting.
‘En wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd.’Jes. 53 zegt: Hij had geen gedaante, noch heerlijkheid. Veracht en de onwaardigste onder de mensen. Daar was toch geen enkele heerlijkheid aan te zien? Toch staat het hier: ‘En wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd.’
Wanneer? Juist in Zijn diepste vernedering: in Zijn lijden en sterven aan het kruis. Nee, wie geestelijk blind is, ziet geen enkele heerlijkheid in Hem. Maar het zwakste geloof ziet juist in die gekruisigde Christus zo’n heerlijkheid. Daar, aan het vloekhout, een vloek geworden voor vervloekten. Juist daar: heerlijkheid. Door te voldoen aan Gods recht. ‘Ik voor u, daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven.’ Is dat geen heerlijkheid? Heerlijkheid, omdat Hij het Lam Gods is, dat de zonden der wereld wegneemt. Heerlijkheid, omdat de liefde van God in Hem volmaakt is geopenbaard geworden:
Om haar als Bruid te werven
kwam Hij ten hemel af
Hij was ´t, die door zijn sterven
aan haar het leven gaf.
Is deze Christus voor U heerlijk? Deze Bloedbruidegom?
Beminlijk Vorst, uw schoonheid hoog te loven,
Gaat al het schoon der mensen ver te boven.
Wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd. Een onzegbare heerlijkheid. Om straks voor eeuwig heerlijkheid in Hem te aanschouwen: En ik zag het Lam, staande als geslacht ….
U dan, die gelooft, is Hij dierbaar!